Schrijfopdrachten

Hoe begin je als je een tekst gaat schrijven?

Eerst ga je ideeën verzinnen. Dat noemen we brainstormen.

Een manier van brainstormen is een woordveld/een abc'tje maken.

Zet midden op een vel papier een cirkel met het onderwerp erin.

Schrijf dan alle woorden die je over dit onderwerp te binnen schieten kris kras om de cirkel heen.

Schrijf onder elkaar de letters van het alfabet en zet achter elke letter een woord dat bij het onderwerp past.

Na de brainstorm ga je alle woorden selecteren die je denkt te kunnen gebruiken.

Met behulp van deze woorden kun je de deelonderwerpen noteren die je wilt beschrijven.

Je gaat nu een schrijfplan maken. D.w.z. je noteert onder elkaar:

-Het onderwerp van je tekst

-De hoofdgedachte van je tekst

-Het doel van je tekst ( informatie, instructie, overtuigen, vermaken)

Daarna maak je een alinea-indeling, waarbij elk deelonderwerp dat je wilt bespreken een alinea wordt in de tekst. Deze deelonderwerpen schrijf je onder elkaar op in je schrijfplan in de goede volgorde. De eerste alinea is je inleiding. Hierin formuleer je b.v. de hoofdgedachte van je tekst.

Je gaat nu je schrijfplan gebruiken om de eigenlijke tekst te formuleren.

Wat is er nog meer belangrijk bij het schrijven van een tekst?

Het begin van een nieuwe alinea kun je op verschillende manieren aangeven:

- Bij elke nieuwe alinea kun je een regel overslaan.

- Bij elke nieuwe alinea kun je een stukje inspringen.

- Je kunt boven elke alinea een tussenkopje plaatsen.

Je kunt zelf kiezen welke van deze drie mogelijkheden je wilt gebruiken.

Zorg dat je rekening houdt met het publiek, de doelgroep.

Voor oudere mensen schrijf je anders dan voor jongeren.

Voor vakmensen schrijf je anders dan voor leken. Houd rekening met de voorkennis van het publiek. Pas je toon en taalgebruik aan.

Zorg dat je tekst niet plotseling stopt. Sluit je tekst duidelijk af.

Doe dat in de laatste alinea, d.m.v. een conclusie bijvoorbeeld.

Waar moet je nog meer op letten bij het schrijven van een tekst?

Schrijf een titel boven je tekst.

Begin niet zomaar te schrijven. Gebruik je schrijfplan.

Gebruik volledige zinnen.

Zorg dat de zinnen kloppen. Als het onderwerp meervoud is, is de persoonsvorm ook meervoud.

Maak de zinnen niet te lang. Dit voorkomt dat ze onduidelijk worden.

Begin elke zin met een hoofdletter en eindig met een punt, uitroepteken of vraagteken.

Zorg voor een goede spelling.

Een zin begint meestal niet met en, want of maar.

Niet elke tekst is een brief, dus houd daar rekening mee.

Probeer variatie aan te brengen in je zinnen. Begin niet elke zin op dezelfde manier. Je tekst wordt dan eentonig.

Schrijf je tekst altijd eerst in het klad.

Kijk in je kladtekst elke zin zorgvuldig na en verbeter de foutjes.

Schrijf de tekst in het net.