Superieure vrouwentaal

Vrouwen babbelen, mannen discussiëren, schreef de befaamde Deense taalkundige Otto Jespersen in 1922. Weinig lezers en lezeressen uit die tijd zullen verbaasd gereageerd hebben bij het lezen van die woorden. Men ging er toen in de Westerse wereld namelijk nog van uit dat mannen van nature superieur zijn over vrouwen. Volgens de heersende ideologie hoorde de vrouw thuis bij de kinderen en in de keuken. Ze hoefde geen hoger onderwijs te volgen, en ze had geen verstand van politiek, filosofie of kunst. Een vrouw moest ‘haar plaats kennen’; gewichtige onderwerpen kon ze maar best overlaten aan de verstandige mannen. Van de vrouw werd natuurlijk wel verwacht dat ze kletste en roddelde; dat hadden de Griekse en Romeinse filosofen al geschreven, en dus was het waar.

In de Westerse wereld zijn deze dwaze denkbeelden gelukkig aan het verdwijnen. Maar dezelfde argumenten worden nog gebruikt door de Talibaanse overheid in Afghanistan en in sommige landen waar mannen de Koran zo interpreteren dat zou blijken dat ondergeschiktheid van de vrouw aan de man Gods wil is. En zelfs al prees Gorbatsjov in Perestroika: New thinking for our country and the world (1987) de bijdrage van de vrouwen in de sovjetmaatschappij; hij voegde er wel aan toe dat men het mogelijk moest maken om ze “te laten terugkeren naar de haard, om zich aan hun puur vrouwelijke missie te wijden”.

Wie de uitspraak van Jespersen herleest, merkt dat hij eigenlijk niets zegt over de taal zelf; alleen maar iets over de inhoud. Spreken vrouwen dus anders dan mannen? En, als dat zo zou zijn, wat is daar de oorzaak van?

Verschil versus deficiet
Het antwoord op die vraag heeft in de voorbije decennia veel inkt doen vloeien en blijft tot vandaag een explosief onderwerp. Aan de ene kant heb je de (poststructuralistische) feministische linguïsten die menen dat eventuele verschillen in de taal van mannen en vrouwen louter een sociale en ideologische oorzaak hebben. Aan de andere kant menen sommige neurologen en evolutionaire psychologen dat deze verschillen kunnen worden verklaard in neuro-anatomische termen. We zullen later terugkomen op de argumenten die beide partijen naar voren schuiven om hun standpunt te verdedigen.

Het zijn in de eerste plaats de sociolinguïsten die zich interesseren in de relaties tussen onafhankelijke sociale en situationele variabelen enerzijds en linguïstische variabelen anderzijds. William Labov en Robin Lakoff staan aan de oorsprong van twee grote stromingen in de sociolinguïstiek. Die worden respectievelijk de paradigma’s van het verschil en het deficiet genoemd, en ontstonden eind jaren zestig en begin jaren zeventig.

Labov – van het verschil-paradigma – bestudeerde het effect van geslacht en sociale klasse op een aantal fonetische en syntactische variabelen in de gesproken taal van Amerikanen. Hij trachtte aan de hand van statistische technieken (VARBRUL) de waarschijnlijkheid te berekenen dat een bepaalde vorm of structuur door een bepaald type spreker in een bepaalde type situatie zou verschijnen.

Lakoff – van het deficiet-paradigma – concentreerde zich op verschillend woordgebruik tussen mannen en vrouwen. Zij interpreteerde de verschillen als aanwijzing van een deficiet bij de vrouwen. Lakoff beweerde bijvoorbeeld dat vrouwen beleefder zijn dan mannen en zich uitdrukken op een minder zelfverzekerde manier. Ze haperen bijvoorbeeld vaker, en nemen minder vaak het woord. Ze nuanceren hun uitspraken meer met uitdrukkingen zoals “ik meen”, “ik denk”, “niet waar?”, en formuleren hun vragen indirecter: “Zou je de deur niet dicht doen?”, eerder dan “Doe de deur dicht”. Vrouwen zouden verplicht worden die taal te gebruiken om sociale goedkeuring te krijgen en als ‘vrouwelijk’ te worden bestempeld.

Zo is er een hele lijst stereotiepen: vrouwen zouden duidelijker articuleren, taboe-woorden vermijden, een minder rijke woordenschat hebben, emotioneler zijn, en, zoals Jesperen al beweerde, over triviale onderwerpen praten. Mannen daarentegen zouden met een zwaardere en luidere stem spreken, meer taboe-woorden en uitdrukkingen gebruiken, over abstractere begrippen praten.

Gebrek aan empirie
Een groot aantal researchers heeft de hypothesen van Lakoff onderzocht en hun conclusies zijn verdeeld: de ene groep vond de verschillen terug in de woordenschatten (corpora, meervoud van corpus), de andere niet. Vandaag denkt men dat een aantal stereotiepen weliswaar reële verschillen weerspiegelt, maar ook dat de situatie waarin een gesprek wordt opgenomen een enorme invloed uitoefent op de frequentie van de stereotiepe vormen.

Groepsdiscussies blijken de verschijning van mannelijke stereotiepen te bevorderen terwijl gesprekken tussen twee personen rijker zijn in vrouwelijke stereotiepe vormen. Men heeft Lakoff vooral het gebrek aan empirisch onderzoek verweten; bovendien waren vele latere studies die de verschillen trachtten te testen linguïstisch weinig gesofisticeerd. Men kan ook niet over louter vrouwelijke of mannelijke vormen spreken; dezelfde woorden en vormen worden immers zowel door mannen en vrouwen gebruikt.

De vroege studies bestudeerden voornamelijk de taal van mannen, en als er ook vrouwen werden bestudeerd, waren die telkens in de minderheid en werden de resultaten altijd geïnterpreteerd aan de hand van de heersende stereotiepen. De onderzoekers Alice Freed en Alice Greenwood toonden bijvoorbeeld in een recent artikel aan dat het gebruik van het tussenvoegsel “you know” helemaal niet typisch vrouwelijk is maar wel typisch voor een bepaald soort gesprek. Ze wijzen erop dat het onmogelijk is de factor ‘geslacht’ volledig te isoleren van andere variabelen zoals de situatie en andere aspecten van de sociale identiteit en sociale relaties.

Gestigmatiseerde taal
Labov tenslotte merkte dat mannen nieuwe, gestigmatiseerde varianten verkiezen in verschillende registers (bijvoorbeeld het taalkundig foute: “I don’t want no apples”), terwijl vrouwen eerder de standaardvariant verkiezen (in dit geval: “I don’t want any apples”). Labov bestempelde dit fenomeen als ‘principe 1’. Vrouwen zouden zich meer bewust zijn van hun sociale status en daarom zouden ze bewust gestigmatiseerde varianten – varianten die taalkundig fout zijn en daardoor een lagere sociale klasse zouden kunnen aanduiden – vermijden.

In latere studies ontdekte Labov het omgekeerde fenomeen, namelijk vrouwen die nieuwe vormen gebruikten, die weliswaar binnen het linguïstisch systeem ontstonden en ontsnapten aan het sociaal bewustzijn. Hij sprak in dat geval van het ‘principe 2’. De vroege werken van Labov zijn ook onder vuur komen te liggen omwille van methodologische tekortkomingen. Zo had Labov de sociale status van zijn vrouwelijke informanten bepaald aan de hand van het beroep van hun echtgenoot of vader.

Formeel versus informeel
Zelf heb ik onderzoek uitgevoerd naar het effect van het geslacht van een spreker op haar/zijn stijlkeuze in de eerste taal en in een vreemde taal. We beschikken allen over een heel repertoire stijlen of registers in onze moedertaal die we kunnen kiezen in functie van de situatie waarin we ons bevinden. In een formele situatie zoals een examen, een sollicitatiegesprek of een openbaar debat, zullen we een andere stijl kiezen dan in een informele situatie, zoals een gesprek met een vriend of een naast familielid. Hebben we eenmaal een bepaalde stijl gekozen, dan weten we automatisch wat we kunnen zeggen en hoe we het moeten verwoorden.

Zo vermijden we in een formele situatie gestigmatiseerde vormen (vulgaire woorden of uitdrukkingen, dialectale uitspraak), we gebruiken eerder “u” dan “je” als aanspreekvorm, en we trachten zo efficiënt en zo duidelijk mogelijk vragen te stellen en informatie te verschaffen.

Dit betekent niet dat je in een informele situatie niet efficiënt en duidelijk tracht te communiceren; de informatie-overdracht is echter niet noodzakelijk het enige doel van de interactie. Als je keuvelt met een vriend, is dat niet alleen omdat je hem of haar iets te zeggen hebt, maar ook omdat je zijn of haar gezelschap op prijs stelt. Je wil die vriend(in) interesseren en tevreden houden. Je kent elkaar beter, dus kun je elkaar ook ‘met een half woord’ begrijpen. In het geval dat iets niet meteen duidelijk is, of er een misverstand ontstaat, dan is dat niet erg; je kunt het meteen weer rechtzetten. Omdat je elkaar kent, kun je ook over intiemere en emotionelere onderwerpen spreken.

In de formele situatie weet je niet hoeveel gemeenschappelijke kennis en waarden je deelt met de persoon met wie je spreekt. Dus ga je ervan uit dat je eerder weinig gemeenschappelijks hebt, ook al om niet ongepast familiair te klinken. In die situatie kun je je ook minder misverstanden veroorloven want dan maak je misschien een slechte indruk. Je zorgt er dus voor dat alles expliciet en precies is; dubbelzinnigheden vermijd je. Emotionele en intieme onderwerpen ga je ook liever uit de weg.

Emotionele woorden
Eén van de belangrijkste kenmerken van een stijl is dus de graad van explicietheid en van emotionaliteit. Wanneer men over een instrument beschikt om die karakteristieken te meten, kan men gaan onderzoeken of er verschillen bestaan in de gesprekken van mannen en vrouwen in éénzelfde situatie.

Het is minder moeilijk de emotionaliteit van een taalextract te berekenen dan de graad van explicietheid. In het eerste geval kan men gewoon het percentage emotionele woorden berekenen. Dat kunnen werkwoorden zijn (haten, beminnen); naamwoorden (liefde, hoop); bijvoeglijke naamwoorden (aardig, angstaanjagend) of bijwoorden (vreselijk, slecht). De proportie emotionele woorden in een persoonlijk gesprek schommelt rond de 4%.

Om de graad van explicietheid te meten, is er wat meer rekenwerk nodig. Ik had gemerkt dat de verhouding van verschillende woordklassen systematisch varieert wanneer men geschreven met gesproken taal vergelijkt, of formele gesproken taal met informele gesproken taal. Dit bleek zo te zijn in het Frans, Italiaans, Nederlands en Engels.

Naamwoorden, lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voegwoorden en voorzetsels blijken vaker voor te komen in geschreven taal en formele gesprekken. Werkwoorden, bijwoorden, voornaamwoorden en tussenwerpsels komen daarentegen vaker voor in gesproken taal en informele gesprekken.

Spatio-temporale context
De tweede groep woordklassen blijkt hoofdzakelijk woorden te bevatten waarvan de betekenis afhangt van de spatio-temporele context waarin ze worden gebruikt worden. Ruimte en tijd spelen een essentiële rol. Je kunt de zin “Ik kom hier morgen weer” slechts begrijpen als je weet wie die zin zegt, op welk moment, en op welke plek.

Deze context is niet, of in minder mate, nodig om de volgende zin te begrijpen: “In april 1994 werd Nelson Mandela Zuid-Afrika’s eerste zwarte president”. Vanaf het moment dat we onze mond open doen, moeten we dus beslissen in welke mate onze zinnen in de ruimte-tijd-context zullen worden verankerd.

Die beslissing hangt af van onze interpretatie van de zogenaamde ‘maxim of quantity’ van de Amerikaanse linguïst Paul Grice. Die bepaalt dat je niet meer of minder informatie moet geven dan strikt noodzakelijk. Dat is natuurlijk subjectief, maar eigenlijk hanteren we allen gelijkaardige normen binnen éénzelfde cultuur. Als ik bijvoorbeeld in de zin over Mandela na 1994 ook nog “na Christus” had gevoegd, zou de lezer geoordeeld hebben dat ik teveel informatie verschafte. De situatie zal binnen duizend jaar misschien helemaal verschillend zijn en dan kan “na Christus” wel noodzakelijk zijn.

Als je met iemand aan de telefoon praat, deel je weliswaar de temporele maar niet de spatiale context, en dus zijn telefoongesprekken iets explicieter dan gesprekken waar de sprekers elkaar kunnen zien. Als je iemand een brief schrijft, moet je nog explicieter zijn, want je weet niet waar en wanneer de brief zal worden gelezen. De meest expliciete tekst is waarschijnlijk een verdrag of een uitspraak van een rechtbank, want daar moet de interpretatie zo eenduidig mogelijk zijn.

Expliciet versus impliciet

 


Vrouwen meer impliciet. Zowel in informele als een formele situaties gebruiken vrouwen een significant implicietere stijl dan mannen (een stijl die afhankelijk is van de context). Dit sekse-gerelateerd effect was sterker dan de sociale klasse van de sprekers (‘hoog’: universitair ; ‘laag’: niet-universitair) en de situatie.

Aan de hand van factoranalyses is het mogelijk de dimensies te isoleren die de variantie binnen de verhoudingen tussen woordklassen bepaalt. Deze methode staat toe de positie van individuele taalfragmenten te bepalen op de dimensie. Deze positie heb ik explicietheid (of context-onafhankelijkheid) versus implicietheid (of context-afhankelijkheid) gedoopt. Vanaf dan wordt het vrij eenvoudig om interindividuele variatie te onderzoeken.

Een eerste studie gebaseerd op Spreektaal. Woordfrequenties in gesproken Nederlands van Eveline de Jong (1979) bracht aan het licht dat vrouwen in zowel een informele als een formele situatie significant implicietere stijlen gebruiken dan mannen. Dit sekse-gerelateerde effect was sterker dan de sociale klasse van de sprekers en de situatie.

In een tweede studie aan de Franse intertaal van dertien vrouwelijke en negentien mannelijke studenten van de Vrije Universiteit Brussel bleek opnieuw dat de vrouwen implicietere stijlen gebruikten dan de mannen, maar niet in alle situaties. De verschillen waren het duidelijkst in een informele situatie waarin de onderzoeker met de studenten over persoonlijke onderwerpen babbelde.

Dezelfde studenten legden enkele weken later hun mondeling examen af. De verschillen in stijl tussen mannen en vrouwen bleken niet langer significant. De enige variabele die toen de stijlkeuze bepaalde, bleek de graad van extraversie van de persoon te zijn (zie N&T mei 2000, pag. 50). Volgens de verwachtingen bleken de vrouwen ook significant meer emotionele woorden te produceren in de informele situatie.

“Mhm”, “aha”, “wel”, “o ja”
Deze resultaten stroken met de recente research naar het effect van geslacht op taal (meestal Engels). Jennifer Coates, Deborah Tannen en Janet Holmes hebben allen vastgesteld dat vrouwen een sterkere socio-emotionele oriëntatie bezitten, meer geneigd zijn over hun emoties te spreken en intiemere onderwerpen verkiezen in gesprekken dan mannen.

Mannen leggen vooral het accent op het puur communicatieve aspect (‘report-talk’) terwijl vrouwen meer aandacht hebben voor het meta-communicatieve en het interpersoonlijk karakter van de interactie (‘rapport-talk’). Vrouwen trachten een relatie van solidariteit te kweken door de andere sprekers te betrekken in de conversatie (door bijvoorbeeld vaker “je” en “we” te gebruiken dan “ik”, of door door meer ‘backchannel’-signalen te produceren zoals “mhm”, “aha”, “wel”, “o ja” om het gesprek gaande te houden.

Vrouwen voeren vaker het woord in informele gesprekken binnen kleine groepen; mannen vaker in formele, publieke situaties. Vrouwen onder elkaar onderbreken hun gesprekspartner niet vaker dan mannen in een zelfde situatie, maar in gemengde koppels of groepen blijken de mannen vaker de vrouwen te onderbreken.

Recent onderzoek van Jennifer Coates naar gespreksonderwerpen van volwassen Engelse vrouwen en mannen onder elkaar heeft gelijksoortige resultaten opgeleverd. Mannen blijken veel vaker heldenverhalen te vertellen waarin ze zelf de hoofdrol spelen, terwijl vrouwen veel meer interpersoonlijke relaties en solidariteit benadrukken.

Uit alle onderzoek blijkt ook dat het geslacht van de spreker alleen maar in bepaalde situaties een effect heeft op taalgebruik. Men mag dus zeker niet besluiten dat vrouwen altijd emotioneler of implicieter zijn en zich minder goed publiekelijk kunnen uitdrukken.

Voor vrouwen kunnen deze verschillen misschien wel een hindernis vormen voor communicatie in de werkomgeving (voor zover die nog door mannen wordt gedomineerd); voor mannen kunnen ze een probleem vormen in de privé-sfeer waar interpersoonlijke relaties overheersen. De verschillen zijn een potentiële bron van misverstanden tussen mannen en vrouwen, zegt Deborah Tannen. Er zijn intussen wel voldoende vrouwen met hoge posities die bewijzen dat ze in publieke situaties over minstens evenveel redenaarstalent beschikken als mannen.

Nature versus nurture

 


Anatomische verschillen. Met name het corpus callosum verschilt tussen mannen en vrouwen. Dit is een dikke bundel zenuwvezels waardoor informatie tussen beide hersenhelften op en neer stroomt. Dr.Sally Shaywitz, Yale Mediacal School

De aanhangers van ‘nature’ baseren zich op recent neuro-anatomisch onderzoek waaruit blijkt dat de hersenen van man en vrouw subtiel van elkaar verschillen. Het corpus callosum dat de brug vormt tussen beide hersenhelften, zou volgens de Amerikaanse neuro-anatomen Allen en Gorski zo’n 76% dikker zijn bij vrouwen dan bij mannen. Ook de vorm van het splenium, aan de achterkant van het corpus callosum, was anders: bij de mannen eerder buisvormig, bij de vrouwen eerder knolvormig.

Anatomische verschillen

 


Verschillende taalverwerking. Verschil in activiteit in linker en rechter hersenhelften bij mannen en vrouwen tijdens taalverwerking, zoals gemeten door NMR. Bij mannen zijn bloedstromen bij verbale activiteit hoofdzakelijk in de linker hersenhelft gelocaliseerd, terwijl bij vrouwen de bloedstroming dan plaatsvindt in beide hersenhelften.

De onderzoekers speculeren dat die anatomische verschillen wel eens verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor verschillende (taal)gedrag van mannen en vrouwen. Bovendien heeft men vastgesteld dat bij mannen bloedstromen bij verbale activiteit hoofdzakelijk in de linker hersenhelft gelocaliseerd zijn, terwijl de bloedstroming plaats vindt in beide hersenhelften bij vrouwen. Laten we er hier even aan herinneren dat de zogenoemde zones van Wernicke en Broca – verantwoordelijk voor de spraak – in de linker hersenhelft zijn gesitueerd, terwijl de rechterhersenhelft onder andere het centrum is van emotie.

Het spraakvermogen lijkt ook beter ingeplant in het vrouwelijk brein dan in het mannelijke. Zo zijn er veel minder vrouwen die lijden aan neurolinguïstische problemen zoals stotteren en dyslexie. Meisjes schijnen ook systematisch beter te scoren op taaltesten en zich beter uit te drukken in stresserende situaties.

In mijn eigen onderzoek heb ik vastgesteld dat vrouwen over het algemeen ook beter vreemde talen leren en meer gevoel hebben voor grammaticale complexiteit en stylistische nuances. Als er sprake is van een verschil tussen mannen en vrouwen, zou ik zeggen dat het deficiet eigenlijk aan de kant van de mannen zit.

Jacht versus huishouden
De vraag is opnieuw: waarom? De evolutionair-psychologen Silverman en Eals denken dat de de huidige verschillen in organisatie van het brein van mannen en vrouwen gegroeid is over duizenden jaren. Volgens deze theorie gingen de mannen van de pre-sedentaire maatschappijen op jacht en moesten ze zich vooral goed kunnen oriënteren in het landschap. Vandaag nog blijken mannen hogere scores te halen op testen die het spatiaal oriënteringsvermogen meten, terwijl vrouwen over een superieur geheugen beschikken voor voorwerpen in de onmiddellijke omgeving (hun scores liggen tussen 60% en 70% hoger dan die van de mannen).

De evolutionaire psychologen speculeren dat dit wel eens de oorzaak zou kunnen zijn voor de huidige taalverschillen. Het gebruik van implicietere stijlen veronderstelt immers dat de spreker of spreekster zich maximaal bewust is van de spatio-temporele context waarin hij of zij zich bevindt. Volgens Silverman en Eals spendeerden de prehistorische vrouwen bovendien veel meer tijd in het gezelschap van de kinderen en de ouderen, en hadden ze dus veel meer tijd voor verbale communicatie. Over honderden generaties zou het brein van de mannen en vrouwen zich dus aangepast hebben aan de heersende sociale verhoudingen.

Wat ook de ware oorzaak moge zijn, het is duidelijk dat de vrouwen eigenlijk over een superieur en verfijnder linguïstisch systeem beschikken. Jennifer Coates koos dan als titel voor een recente bijdrage over taal en geslacht: “Thank God, I’m a woman!”